Als er maar zout op de patatten is

STAN probeert te koorddansen tussen slapstick en ernst, maar de voorstelling mist dynamiek en spelvreugde.

Tg STAN en Thomas Bernhard. Het theatercollectief en de schrijver zijn onafscheidelijk, als een hond en zijn baasje. Alleen is het niet altijd duidelijk wie de hond is en wie het baasje. Of wie aan wie trekt. Ditmaal sleurt STAN eraan langs alle kanten, maar het mag niet baten: de voorstelling redde wie zich redden kan (geen slechte titel) spartelt maar verzuipt tussen rekwisieten en kostuums.

Na Gewoon ingewikkeld (1993), Oude meesters (1996) en Alles is rustig (1999) neemt STAN opnieuw een tekst van Thomas Bernhard onder handen. Eigenlijk zijn het vijf teksten, in vitriool gedrenkte sketches zo je wilt, die je gerust na de Auschwitz-herdenking op Canvas had kunnen vertonen.

In zijn Dramoletten steekt Bernhard de draak met het onverwerkte nazi-verleden van Duitsland. Hij schetst 'één volk, één natie', op een hoogst onverkwikkelijke maar daarom ook menselijke wijze. Wir haben es nicht gewusst wordt so fuckin' what? Als er maar zout op de patatten is en het hotel zijn vier sterren uit de Neckermann-catalogus waard is. In die zin zijn Bernhards Dramoletten van en voor alle tijden. Niet toevallig begint STAN de voorstelling met een mop (of wat er moet voor doorgaan) over een Marokkaanse opticien.

Aanvankelijk staan de drie acteurs in het donker. Boven hen hangt een groot zeil en de grond is bezaaid met rekwisieten. Dan laten ze het zeil naar beneden ploffen en wordt een immense kroonluchter ontbloot. Zoveel kristallen luxe verblindt de ogen. Dat belooft, maar van dan af is het verveling troef. Dat heeft deels te maken met de maatschappijschetsen van Bernhard die zich (bedoeld) bezondigen aan kabbelende conversaties, maar ook aan de vorm die STAN hanteert. Elk van de vijf dramoletten wordt voorafgegaan door een ellenlange verkleedact. Dat is eventjes leuk maar daarna roept het inwendige ik om tempo, als stond je aan de paskamers tijdens de koopjesperiode. Na elke sketch volgt een buiging en ergens daartussen kruipt Damiaan De Schrijver op handen en voeten onder het zeil om een van de rekwisieten boven te halen. Jolente De Keersmaeker en Sara De Roo staan erbij en kijken ernaar.

Redde wie zich redden kan... probeert te koorddansen tussen slapstick en ernst, en twijfelt tussen sketch en drammerige voordracht. De voorstelling mist dynamiek en spelvreugde (nochtans het STAN-keurmerk), en is getemperd tot een waakvlammetje. STAN heeft duidelijk de juiste toon (nog) niet gevat, hoewel het materiaal hen op het lijf geschreven is.

Of wat te denken van personages die een wiegeliedje zingen na de Radetzkymars, naar de veldmaarschalk die er mee voor zorgde dat het Oostenrijkse keizerrijk in 1848 niet werd omvergeworpen? Ze loven exquise herderssalades in bergdorpjes en "Buchenwald was zo erg nog niet", maar sinds de Duitse parachutisten door de geallieerden boven Kreta werden afgeknald, zoeken ze toch liever andere vakantieoorden. Hoe zou je zelf zijn? Minimaliseren, hercontextualiseren, negationeren. De kunstzinnige intellectuele elite slaagt erin de holocaust tot casual talk te verheffen. Geschiedenis goes with the flow, zoals de mode: vandaag in crêpepapieren couture, morgen in tutu of turnmaillot en 's zondags in bont behangen met juwelen. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.

De vrouw klaagt over de scheuren in het kostuum van haar manlief, een politieman, en zegt: "Al die studenten en joden, ik zou er op schieten!" Maar dan gebeurt het, in het laatste dramolet. Wanneer de affiches met hakenkruisen per ongeluk van de brommer op de straat vallen, durft niemand ze op te rapen. Wedden dat die één op de drie Vlamingen ook doet alsof zijn neus bloedt?

De Morgen, Liv Laveyne, 28 februari 2006

Nederlands