Wanneer idealisme pessimisme wordt

2 Antigone van Jean Cocteau en Jean Anouilh en tg STAN in Teatergarasjen: een nogal onduidelijke ontmoeting met een oude klassieker.

De klassieke tragedie rond Antigone, die haar dode broer begraaft ondanks koning Creons uitdrukkelijke bevel het lijk als kadaver voor de honden en roofvogels te laten liggen, is nog steeds van betekenis in een tijd waar verkozen tirannen bevochten worden en waar men niet zo kieskeurig is wat betreft de middelen. Voor Antigone, zoals we haar ontmoeten in de 2500 jaar oude tragedie van Sophokles, draait het om een humanisme en een plichtsvervulling die alle wetten overtreedt en die de offerdood als uiterste gevolg heeft.

Dit motief heeft schrijvers en kunstenaars geïnspireerd gedurende honderden jaren, en het Belgische theatercompagnie tg STAN heeft gekozen twee franse versies van de 20e eeuw samen te zetten. Jean Cocteau schreef zijn stuk in 1922, Jean Anouilh’s werk zag het licht in het oorlogsjaar 1943. Terwijl Cocteau stond voor een stuk dat Sophocles relatief getrouw was, en dat zich in sterke mate baseert op een ongewone scènetechniek voor het toepassen van de stof aan het «ritme van onze tijd», verhield Anouilh zich veel vrijer tegenover het klassieke uitgangspunt.

Tg STAN is bijzonder georiënteerd op tekst in haar werk, en de versie van Cocteau wordt haast gebruikt om de basiselementen van de tragedie en de verschillende rollen te presenteren, voor ze Anouilh’s stuk «spelen» - maar nog steeds met meer nadruk op de tekstopvoering dan op traditioneel toneelspel. Dit geeft de voorstelling een zeldzame naaktheid, wat niet betekent dat alles in de opzet even duidelijk blijkt. Cocteau wordt verwerkt door op en neer te stijgen van een grote tafel en de replieken even levenloos af te leveren zoals wij ons lesje bijbelgeschiedenis plegen af te rammelen op school in de goeie oude tijd. Zonder enige opwinding, zonder engagement.

En dan wordt het podium ontruimd. Achteraan komt een grote houten vloer en een muur van hangende planken en enkele stoelen buiten de scène. De toneelspelers nemen dezelfde rollen als voorheen, maar nu wordt er meer energie in het spel gelegd – en het culmineert in enkele intense confrontaties tussen Creon (Frank Vercruyssen) en Antigone (Natali Broods). Een vorm voor handgemeen wordt het weliswaar niet, een zeker ironische afstand wordt behouden doorheen de hele voorstelling. Dit kan deels herinneren aan de vervreemdingstechnieken waar Brecht zich gretig van benutte in zijn toneelkunst.

De magere koningsfiguur in maatpak heeft de handen vol met het bewaren van zijn eigen machtbasis. Tezelfdertijd tracht hij Antigone te redden, wiens zuster verloofd is met zijn zoon, maar hij ziet in dat haar anarchistische eigenwijsheid een bedreiging kan vormen.

Hetgeen de tragedie van Anouilh nog steeds heel modern doet overkomen, is dat hij de hoofdpersonages psychologiseert, en langzaam maar zeker ontneemt hij Antigone een duidelijke drijfveer voor haar keuzes. In een sterk confronterende scène ondermijnt Creon alle zinnige beweegredenen voor wat ze doet. Daarom kan ze tenslotte uitbarsten: «Ik weet niet meer waarom ik sterf». Ze verwerpt de hoop, en in haar zoektocht naar het reine maakt ze even weinig compromissen als Creon in zijn gevecht om de orde in de maatschappij te handhaven.

Twee sterke, stroeve en volkomen verschillende individuen staan tegenover elkaar. Maar in de onbehaaglijkheid die Frank Vercruyssen in de Creon-figuur legt, een onbehaaglijkheid die ook tegenover zichzelf lijkt gericht te zijn, wordt de indruk geschapen van een man die ooit bezield was van hetzelfde idealisme als Antigone (in het bijzonder zoals we haar ontmoeten bij Sophocles – in Anouilh wordt ze gevangen door haar eigen fundamenteel pessimisme), maar die zich veel te sterk heeft laten corrumperen om iets meer dan restjes over te houden van zijn eigen puurheid. En hij kan er niet aan twijfelen dat Antigone hem doorziet.

Volgende vraag duikt onderweg op: Waarom heeft tg STAN deze twee stukken samengezet? Is het gewoon om het eerste te gebruiken als een soort introductie, en als een vorm voor contrast? Dit is misschien niet de hele verklaring, maar ik kan moeilijk zien hoeveel meer men er eigenlijk mee bereikt.

Bergens Tidende, Anmeldt Av Jan H. Landro, 10 april 2003

Nederlands